![]() |
![]() |
| Home | Regio's | Kontakt | Lexicon | Sitemap | A-Z | |
|
LexiconLexiconIn alle vakgebieden, maar zeker in Telecom, zijn jargon en het gebruik van afkortingen een veel voorkomend verschijnsel. Onderstaande lijst tracht de meest gebruikte termen van vandaag te verduidelijken, zonder pretentie tot volledigheid. ADSL: Asymmetric Digital Subscriber Line. Een digitaal systeem dat snelheden tot 2 Mbit mogelijk maakt op de gewone telefoonlijn. De DSL generatie wordt algemeen gezien als de opvolger van ISDN AOC: Advice Of Charge. Doorgeven van tariefeenheden naar de gebruiker ATM: Asynchronous Transmission Mode. Transmissieprotocol voor voice en data BRIO: Belgacom Reference Interconnect Offer. Het geheel aan voorwaarden voor het gebruik van het Belgacom netwerk door een andere operator. CARRIER: Operator die zich beperkt tot het transport van telecom, spraak, data of multimedia. CARRIER PRESELECT: Op voorhand kiezen van een bepaalde operator, waarbij de gebruiker aan Belgacom aanduidt welke operator moet gebruikt worden voor welke oproepen CARRIER SELECT: Het kiezen van een andere operator aan de hand van zijn prefix nummer CLIP: Calling Line Identification & Presentation. Het tonen op uw display van het nummer van de oproeper. DECT: Digital European Cordless Telephony. Een Europese standaard voor draadloze telefonie op korte afstand, voor privé- en bedrijfsdoeleinden DWDM: Dense Wavelength Division Multiplexing. Een technologie van verschillende lichtkleuren, die toelaat op glasvezel extreem hoge transmissiesnelheden te gebruiken EDGE: Enhanced Data Rates for GSM Evolution. Wordt gezien als de opvolger van GPRS, met snelheden in mobiele data tot 384 Kbit/s FTP: File Transfer Protocol. Het meest gebruikte protocol voor uitwisselen van gegevens op file GPRS: General Packet Radio System. Een protocol dat snelheden boven 100 Kbit/s toelaat via gsm. HSCSD: High Speed Circuit Switched Data. Het bundelen van kanalen voor mobiele datatransmissie. Momenteel maximaal 3, voor een snelheid van 43,2 Kbit/s INTERCONNECT: Het gebruiken van het Belgacom netwerk door een andere operator. IP: Internet Protocol. Een eenvoudig protocol, dat vooral gebruikt wordt door de nieuwe operatoren en dat bezig is de wereld te veroveren. Wordt beschouwd als het protocol van de toekomst om reden van eenvoud en openheid. ISDN: Integrated Services Digital Network. De eerste digitale transmissietechniek op gewone kopergeleiders, ontstaan op het einde van de jaren tachtig op Europees initiatief. Vandaag één van de meest populaire standaarden. LAST MILE: aanduiding van het laatste eind kabel tot bij de gebruiker. Dit stuk is moeilijk bereikbaar door een andere operator. LCR: Least Cost Routing. De keuze van de goedkoooptse operator(en) in functie van prijs, tijd en bestemming LOCAL LOOP: Het geheel van verbindingen naar de eindgebruiker vanaf de laatste schakelkast van de historische operator (Belgacom) NUMMEROVERDRAAGBAARHEID: Mogelijkheid om bij verandering van operator het bestaande telefoonnummer te behouden. PABX: Private Automatic Business Exchange. De private telefooncentrale bij de klant. PDA: Personal Digital Agenda SDH: Synchronous Digital Hierarchy. Een ringvormige transmissietechniek met een hoge betrouwbaarheid, die door bijna alle operatoren wordt gebruikt. Bij storing of onderbreking is het netwerk zelfherstellend. SLA: Service Level Agreement. Een overeenkomst tussen operatoren of tussen een operator en zijn klant, die de modaliteiten van service omschrijft. SMS: Short Message Service. Huidige transmissie van data (e-mail, fax, korte berichten) tot 9,6 Kbits/s TCP/IP: Transmission Control Protocol / Internet Protocol. De verzameling van protocols die het verkeer op Internet regelt. Oorspronkelijk enkel beschikbaar op UNIX, is het nu bruikbaar op ieder platform. TRANSMISSIESNELHEID: Wordt uitgedrukt in bits/sec, kilobits/sec (Kbits/s), megabits/sec (Mbits/s), gigabits/sec (Gbits/s), terrabits/sec (Tbits/s) en petabits/sec (Pbits/s). Iedere stap is een verhoging met een factor 1.000
UMTS: Universal Mobile Telecommunication Standard. Meestal de 3e generatie gsm genoemd. Deze standaard laat transmissiesnelheden toe naar de gsm tot 2 Mbit. Is verwacht in de meeste Europese landen begin 2002. UNBUNDLING: Ter beschikking stellen van de Local loop aan alternatieve operatoren. UNIFIED MESSAGING: Het samenbrengen in één enkele antwoordbox van spraak, fax en e-mail, met de mogelijkheid al deze berichten op een gestandardiseerde manier, eventueel via spraak op te vragen en te beluisteren. VoIP: Voice over IP. Transmissie van spraak via het Internet Protocol. VPN: Virtual Private Network. Een deels publiek netwerk dat door zijn bereikbaarheid en gebruik virtueel privaat is. WAP: Wireless Application Protocol. Een nieuw protocol dat toelaat data aan hogere snelheden naar een gsm te sturen. Is op weg om een wereldwijde standaard te worden. WIRELESS LOCAL LOOP: Het draadloos ontbundelen van de Local Loop, waardoor de alternatieve operator toegang krijgt tot de eindgebruiker. In de meeste Europese landen worden licenties voorbereid door de lokale regelgever. |